Joods & christelijk platform
voor reflectie 
op de actualiteit

Paars en goud

COLUMN

 

Ik begin met een Joodse Nederlandse schrijver en eindig met een andere Joodse Nederlandse schrijver. Daartussenin mijn verhaal. Enkele dagen geleden werd bekend dat aan Arnon Grunberg de PC Hooftprijs is toegekend. Daarmee feliciteer ik hem. Grunberg schrijft in zijn boek De Mensheid Zij Geprezen, Lof der Zotheid 2001  (2001): “Als u iemand tegenkomt die niet gehaat is, kunt u er zeker van zijn dat hij niets te vertellen heeft.” Daar ben ik het mee eens. Je moet soms een beetje lef hebben om te zeggen wat volgens jou gezegd moet worden.

Vorige week was het ‘paarse vrijdag’. Nederland stond in het teken van de acceptatie van en respect voor de LHBT+ community. Op scholen is dit een verplicht onderdeel van het curriculum. Ik ga daar niet over discussiëren. Waar ik vandaag voor wil pleiten is een ‘gouden dag’ - in de Nederlandse kalender, een dag in het teken van het huwelijk. Goud, omdat het doorgaans de kleur is van de ring die de bruidegom op de huwelijksdag om de vinger van de bruid schuift. Goud - omdat we gebaat zijn bij families die onze gemeenschappen in stand houden en laten groeien. Gezien de toestand in Nederland van tegenwoordig is volgens mij zo een dag een absolute must.

De Joodse Gemeente kent maar één criterium voor het lidmaatschap: Heeft iemand een Joodse moeder of is de persoon in kwestie Joods geworden via een door ons erkend Rabbinaat. Dan is die persoon Joods. Als rabbijn kijk ik niet naar wat een lid op sjabbatochtend doet, niet naar wat voor eten hij in de supermarkt koopt of naar wat zijn geaardheid is. Als rabbijn luister ik naar het persoonlijke verhaal, ongeacht wat dat is. En dat moet zo blijven. Tegelijkertijd is het belangrijk om aan onze jongere generatie de waarde van ons eigen eeuwenoude erfgoed duidelijk te maken – (nog) beter dan we nu met elkaar doen – en er waardering voor te kweken, zodat ook zij het belang van ons Goud zien en dat willen doorgeven.

Mijn vrouw steekt bij ons uiteraard iedere vrijdagavond de kaarsen aan. Onlangs was ze naar haar moeder, die aan de andere kant van de oceaan woont en sinds bijna twee jaar weduwe is. Op die vrijdagavond stak ik hier in Amsterdam de kaarsen aan. En op die ene vrijdagavond miste ik iets van de mooie goudgele gloed die ik op andere vrijdagavonden van de kaarsen zie stralen. Die sjabbatkaarsen symboliseren voor mij het licht dat mijn vrouw en ik samen delen. Dat licht wil ik graag meegeven aan de jeugd van Joods Nederland en daarbuiten. Dat licht kan in ieder gezin stralen. Het is aan de jongeren om eigen keuzes te maken, maar die keuzes moeten ze dan wel kúnnen maken; op basis van kennis van en waardering voor onze waarden. Hier ligt ook een taak voor ons allemaal.

Ik vermoed dat niet iedere lezer blij wordt van deze regels. Toch vind ik dat ik ze moet schrijven. En dat brengt me bij het citaat van de tweede Nederlands Joodse schrijver: Marcel Möring, die het nawoord verzorgde in Max Frisch’s Lastige vragen  (1992). Möring schrijft daarin: “Als je nou eens vergeet wat je moet zeggen en zegt wat je denkt, wat is dan je antwoord?” Dat is precies wat ik in deze column heb gedaan.

Rabbijn Shmuel Katz | hoofdredacteur

 

Deel dit bericht:

cross